laure beauty bloopers

9 onvergetelijke maar vooral gênante beautybloopers

Wie in de beautysector werkt, mag niet bang zijn om met nieuwe producten te experimenteren en bizarre behandelingen uit te testen. Meestal levert me dat een trendy lipkleur of een egaal velletje op, maar soms loopt het ook grondig mis.

Ik kan me geen periode in mijn leven herinneren waarin ik niet in make-up was geïnteresseerd. Vanuit mijn meisjesslaapkamer runde ik parfumerie ‘Minnie’, wat weinig meer voorstelde dan een kaptafeltje met daarop netjes uitgestalde lege parfumdozen en dito flesjes die ik van mijn tante kreeg, maar de zaken gingen goed. Als kleuter smeerde ik de foundation van mijn moeder op mijn oogleden, mijn voorliefde voor ‘nude make-up’ zat er duidelijk al vroeg in. Gingen we op zondag bij mijn grootmoeder eten, rommelde ik na het dessert stiekem in haar make-uptasje en poederde ik mijn gezicht spierwit. Daarna zei ik tegen mijn ouders dat ik me niet zo lekker voelde en viel ik in een gespeelde katzwijm. Ze schrokken iedere keer.
Rond mijn zestiende begon ik pas echt met make-up te experimenteren en vertrok ik ’s morgens naar school met een ongepaste smokey eye, andere dagen smeerde ik een geweldige transparante gel-met-glitters van Dior op de jukbeenderen (ter mijner verdediging: het jaar 2000 naderde met rasse schreden) of stiftte ik mijn lippen na de les lichamelijke opvoeding zo rood als mijn hoofd. En toen was er nog die keer met het snorretje.

Blooper 1: het snorretje (1999)

Tijdens de examenperiode keken mijn oudere zus en ik ter ontspanning graag naar een aflevering van ‘Heartbreak High’ of leefden we ons creatief uit met de inhoud van moeders make-upkoffer. Op elkaar. Net zoals mijn zus altijd in het wilde weg improviseerde wanneer ze mijn weekhoroscoop luidop voorlas (ik zou altijd wel ergens diarree krijgen), kleurde ze op mijn gezicht ook graag buiten de lijntjes. Dat was geen verrassing meer, en toch kwamen we beiden niet meer bij wanneer ik na de ‘tadaaaaaa!’ mijn clowneske look – deze keer mét een getekend snorretje en unibrow – in de spiegel te zien kreeg. Nadat ik de tranen van mijn gezicht had geveegd, ging zij verder met het vertalen van Latijnse teksten en probeerde ik te ontbinden in factoren. Tot ik een paar uur later zin kreeg in een ijsje en op mijn fiets richting de lokale ijsventer sprong. Ik kreeg een hoorntje met een bolletje mokka en citroen en een blik van de bolletjes scheppende student die ik niet meteen kon thuisbrengen. Was hij nu aan het flirten of vond hij de combinatie mokka-citroen maar niets? Pas uren later, toen ik toevallig een blik in de spiegel wierp, werd me duidelijk dat de jongen zijn blik niets met mijn smaak te maken had, maar alles met het feit dat ik nog steeds met een donkere unibrow en getekende snor op mijn gezicht rondliep. Nu begreep ik die blik: hij keek me aan alsof ik niet goed wijs was! Voor de tweede keer die dag liepen de tranen over mijn wangen, opnieuw van het lachen, ook al geneerde ik me tegelijkertijd zeer diep, zo diep als enkel tieners zich kunnen generen. Vandaag moet ik er nog steeds om lachen, maar ieder aanbod van mijn zus om mijn make-up te verzorgen, sla ik vriendelijk af.

Blooper 2: de dip dye fail (2012)

Een aantal jaar geleden leek het me leuk om pastelroze haarpunten te hebben. Na een bezoek aan de Londense modeweek was ik overtuigd, werkelijk ié-de-réén liep toen met een pastelkleurige dip dye rond. Omdat mijn donkere haren zich niet zomaar in vrolijke pasteltinten laten kleuren, moesten ze eerst ontkleurd worden. En zo zat ik in de kappersstoel met vier ontkleurde staartjes. Een belachelijk gezicht dat met een selfie vereeuwigd moest worden. Een week later voegde ik die foto toe aan het artikel over mijn haarexperiment op ELLE.be. Nadien liep ik nog een half jaar met roze lokken rond en daarna was ik er wel klaar mee.
Twee jaar later kreeg het verhaal nog een ontkleurd staartje. Via via kwam ik immers te weten dat die foto het tot hoofdafbeelding van de Facebookpagina “Meisje hebt gij nu een dip dye of gewoon een uitgroei?” – goed voor bijna 11.000 volgers – had geschopt. Ik was een hartaanval nabij. Maar om hun vraag te beantwoorden: ja, ik had een dip dye en nee, dat is géén uitgroei!
Maar hoe je het kapsel op de foto zou benoemen, was bijzaak. Hoe had iemand het lef om mijn portret zomaar te misbruiken? Het antwoord van de administrator, ik vermoed een bende pubers, was duidelijk: “wij hebben deze foto op Google Images gevonden na het ingeven van de zoekterm ‘dip dye fail’. Vrij vertaald: je hebt dit allemaal mooi aan jezelf te danken. Toch beloofden de kapselexperten de foto te verwijderen en “daarvoor hoefde ik echt niet met gerechtelijke stappen te dreigen.” De pagina bestaat nog steeds, maar is al sinds 2014 niet meer actief. Blijkbaar zijn de bakvissen hun haat jegens slecht uitgevoerde dip dyes intussen ontgroeid.

Blooper 3: creatief met krijt (2003)

Lang voor ik met eyeliners en lippenstiften aan de slag ging, hield ik het bij tekenen en schilderen op papier met een respectabel gewicht. Week na week experimenteerde ik op zaterdagochtend tijdens de tekenles met het materiaal dat de excentrieke lerares uit haar rugzakje haalde en op haar verweerde bureautje, te midden van een collectie kunstboeken uitstalde. Na afloop van de les hing ik steeds onder de vegen houtskool, olieverf, ecoline, Oost-Indische inkt of die heerlijk romige waskrijtjes die als boter over het papier gleden en na contact met water in prachtige aquarelverf veranderden. Wat werkte op papier, werkte ook op mijn gezicht, zo bleek, toen ik jaren later bij gebrek aan een fuchsia lippenstift soelaas in mijn blikken pennendoos zocht. Een krijtje en een druppel water, meer had ik toen niet nodig om mijn lippen in een felle, matte fuchsia kleur te schilderen. Ooit vroeg een jongen mij in een club of ik ‘dat meisje was dat zich met krijtjes schminkte’. Ik voelde me betrapt en kon al raden welke frenemy hem dergelijke info verschaft had. Maar wat zij als ‘raar’ bestempelden, zie ik als ‘creatief’. En daar denk ik eigenlijk nog altijd zo over.

Blooper 4: valse wimpers (2002)

Iedereen die weleens een valse wimper probeerde te plakken, weet dat het geen makkie is. Zeker als je achttien en compleet onervaren bent. Na een verdomd omslachtig trial-and-errorproces plakten ze vast en was ik helemaal klaar voor een avondje dansen. Eens thuis werden de wimpers bedankt voor bewezen diensten en poetste ik alle oogmake-up van mijn gezicht. Plots was daar de pijn. Iedere keer wanneer ik met mijn oog knipperde, schuurde er iets over mijn linkeroogbal. Nadere inspectie van betreffende oogbal leverde niets op. Ik probeerde de slaap te vatten maar de tranen bleven uit mijn gesloten oog stromen. Opstaan en mijn oog opnieuw inspecteren brachten geen duidelijkheid. Hoewel ik dolgraag op kot wilde, was ik nu blij dat ik onder moeders dak woonde. Huilerig wekte ik het arme mens, dat me ook niet verder kon helpen. Slapen zat er toch niet meer in, dus ik belde de dokter van wacht. De piepjonge huis arts arriveerde een half uur later, scheen met haar lamp in mijn oog maar kon niets vinden. “Maar er zit iets in!”, schreeuwde ik. “Er zát misschien iets, maar dat is er niet meer. Eens een oog gekwetst is, voelt het vaak alsof er nog iets zit.” Ik geloofde haar maar half, niet in het minst omdat ze er wel erg jong uitzag om al dokter te zijn. Na een moeilijke nacht werd ik wakker met een dichtgeplakt, dik oog. “Zeg nu nog eens dat er niets in zit!”, schreeuwde ik naar mijn moeder, die intussen hemel en aarde bewoog om een afspraak bij onze drukbezette oogarts te versieren. Gelukkig kon die me er diezelfde avond nog tussen nemen. Toen ik na een lange dag van non-stop tranen in haar stoel belandde, klapte ze mijn ooglid behendig dubbel. “Zo, daar zit de boosdoener”, zei ze, en plukte met haar pincet een opgedroogd bolletje wimperlijm van mijn ooglid. Dus toch! Een week later was mijn beschadigde hoornvlies genezen maar ik heb sinds die dag nooit meer zelf valse wimpers gekleefd. En als iemand anders het doet, hou ik als een bezetene in de gaten dat er niet te kwistig met de lijm wordt omgesprongen.

Blooper 5: de outbreak (2019)

Afgelopen zomer mocht ik naar Amsterdam om er in het Waldorf Astoria huidverzorgingsgoeroe Paula Begoun te interviewen. Ik volg de very American skincare expert al jaren en smeer bijna dagelijks producten uit haar Paula’s Choice-gamma. Nadat Begoun haar uiterst entertainende presentatie afrondde, was het tijd voor ons one-on-one interview. Begoun at een Ceasar slaatje en ik stelde mijn vragen. We hadden het over de zin/onzin van op DNA gebaseerde skincare, ze sprak vrijuit, dropte een f-bommetje hier aan daar, maar drukte me meermaals op het hart dat sommige uitspraken echt wel off the record moesten blijven.
Wie een huidexpert ontmoet, wil er natuurlijk ook zelf een beetje leuk uitzien. De angst dat ze je huid door beroepsmisvorming aan een mentale scan onderwerpt, is immers reëel. Die ochtend bracht ik mijn make-up extra aandachtig aan. Ik weet niet of het aan mijn zenuwen lag, of aan de hitte in de kamer maar plots voelde ik mijn hele gezicht gloeien. Kort nadien volgde een trekkerig gevoel. Beeldde ik het me in of keek Paula me plots ook maar vreemd aan. Terwijl ze zich opnieuw over haar salade boog, viel mijn oog op de grote spiegel aan de andere kant van de ruimte. En toen zag ik het: een dikke rode bol in het midden van mijn voorhoofd. Al was dat nog niets, even later spotte ik ook de rode onzuiverheden op mijn kaken. Ik kreeg het steeds warmer, en iedere keer dat ik subtiel in de spiegel probeerde te kijken, werd de break-out erger. Vrouw met krentenbaard gesignaleerd! Komt dat zien! Begoun had het nogal druk met het onderzoekswerk van een Belgische dokter met de grond gelijk te maken en merkte het steeds erger wordende kraterlandschap voor haar neus niet eens op.
Na het interview poseerden we saampjes voor een photobooth, we glimlachten en de straffe filter deed zijn werk. Paula zag er absoluut geen 65+ uit en ook het slagveld op mijn gezicht verdween als sneeuw voor de zon.
Op de trein naar huis kreeg ik de boosdoener achter mijn huidmalaise in het vizier. Een paar dagen voordien testte ik een ‘carbon peeling’ bij de Carpe Clinic in Antwerpen. De niet-invasieve behandeling was er een van grote beloftes. Een bloemlezing: aanmaak van collageen, een egale huid, verwijderen van overtollig talk, fijnere poriën en weg met mee-eters, pakt actieve acne aan, vervaagt fijne lijntjes en weet raad met pigmentvlekken. Het gebeurde dan ook nog eens snel, na de reiniging schilderde de schoonheidsspecialiste een laagje vloeibare houtskool over mijn hele gezicht, nadien ‘schoot’ ze het hard geworden laagje weg met een laser. Pijnloos en een instant resultaat verzekerd! Tot twee dagen later, dus. In de week die volgde op mijn onderonsje met Begoun werd het zelfs nog erger. Daar was plots de acne die ik in mijn puberteit nooit heb gehad, met twintig jaar vertraging and a vengeance. De volgende dag werd ik op een presentatie van een nieuwe huidverzorgingsproduct verwacht. De dermatoloog had het over hyaluronzuur maar werd na haar presentatie tot een persoonlijk consult gedwongen. “Wat is er mis met mij en komt dat ooit nog wel goed? Is dit nu hoe ik eruit zie?” Ze lachte en wuifde mijn onzekerheden weg. De laser was diep in mijn huid gedrongen en als tegenreactie op de hitte gingen talgklieren in overdrive. Met het rode ontstoken gezicht van een onfortuinlijke bakvis als gevolg. “Maak je geen zorgen, als het weggetrokken is, zie je er beter uit dan voordien.” Prettig was het niet, maar na een week was het ergste leed geleden. Maar die houtskool hou ik toch liever in mijn tekendoos, de laser gericht op mijn bikinilijn.

 

Blooper 6: wenkbrauwen kleuren (2018)

Op een blauwe maandag maakten collega E. en ik van onze middagpauze gebruik om onze wenkbrauwen met tijdelijke ‘brow tattoos’ te kleuren. Dat is simpel: je brengt de verf aan op je wenkbrauwen, wacht een kwartier en pelt het gestolde goedje er weer af. De kleur houdt zo’n drie dagen, afhankelijk van de inwerktijd. Collega I. wilde het ook wel proberen, ze zou een paar dagen later bevallen en hield wel van de gedachte een paar ‘on fleek’ wenkbrauwen te hebben wanneer ze voor het eerst met haar baby ging kennismaken. Haar enige voorwaarde was dat ik de schilderwerken voor mijn rekening zou nemen. Dat deed ik met plezier én met een ander product, waarvan de kleur beter bij die van haar wenkbrauwen paste. Wanneer die verf na een kwartier droogtijd nog steeds niet gestold was en onmogelijk van haar wenkbrauwen te pellen viel, sloeg de paniek me om het hart. En om dat van collega I. “Waarom droogt het niet, ik heb de wenkbrauwen van een stripfiguur, wat heb je gedááááán?” Ik haalde mijn schouders op een keek nog eens op de verpakking van het product. Dit was permanente verf en geen afpelbare tattoo. Oeps. Omdat ik een door stress getriggerde vroegtijdige bevalling wou vermijden, hield ik het hoofd koel en fakete ik dat er niets aan de hand was. Uiteindelijk slaagde ik erin om de verf met make-upremover te verwijderen en bleef de schade beperkt. Het incident is nog steeds een gevoelig punt, maar ik denk dat ze, nu de baby bijna negen maanden oud is, bijna klaar is om me te vergeven.

Blooper 7: mislukte DIY mascara (2018)

Tegenwoordig reis ik graag zo licht mogelijk. Sleepte ik vroeger bijna mijn volledige make-upcollectie mee – je weet immers nooit – maak ik er nu een sport van om enkel praktische multitaskers in mijn toilettasje te proppen. Dat ging goed, tot ik tijdens een recent tripje naar Parijs ontdekte dat ik mijn mascara thuis vergeten was. Toch niet mijn mascara! Er was geen tijd om bij de pakken te blijven zitten, ik moest snel een creatieve oplossing vinden. Die vond ik in een zwarte oogschaduw. Door toevoeging van een paar druppeltjes water, kreeg ik de perfecte verf om al mijn wimpers van een donker laagje te voorzien. Het resultaat was verrassend goed, net het werk van een natuurlijke mascara. Niet de XXL-wimpers waar ik normaal gezien van hou, maar ach, ik moest nu eenmaal schilderen met de riemen die ik had. Het was pas veel later die dag, na een belangrijk interview en dinertje, dat ik ontdekte dat natte oogschaduw tóch geen ideaal alternatief voor mascara is. De zwarte verf hing als twee donkere wallen onder mijn ogen. Een oververmoeide wasbeer was er niets tegen. Ongewenste beautyblooper of extreme smokey eye, het is maar hoe je het bekijkt. Geen make-upartiest die me ongelijk zal geven.

Blooper 8: iets met bruin zonder zon (2011)

Het is een feit: ik ben geen held met bruin zonder zon. Maar toen een aantal jaren geleden een ‘tan in a can’, waarbij je het product op de huid spuit, op de markt kwam, wilde ik me er nog eens aan wagen. Na afloop hing mijn douche onder het spul maar aan mijn benen te zien had ik er net een vakantie aan zonnige oorden opzitten. Ik vertrok later die ochtend naar een festival en besliste een jurkje aan te trekken. Het was immers een mooie zomerdag en mijn benen hadden een mooi kleurtje. Dat was na die een uur durende rit in een warme auto naar de festivalweide wel anders. Door de hitte plakten mijn billen aan de lederen zetels. Resultaat: een combinatie van oranje zebrastrepen en pantervlekken. “Maar dat valt toch niet op”, verzekerde mijn beste vriend mij. Het is een allerbeste kerel, maar liegen kan hij niet. Gewapend met een uit een Dixie-toilet ontvreemde rol toiletpapier en water probeerde ik zo goed en zo kwaad als ik kon de vlekken te egaliseren. “Weet je wat jij nodig hebt?”’, vroeg een meisje dat me vanop een afstandje gadesloeg. Ik keek haar vragend aan en haalde mijn schouders op. “Zand”, zei ze. “Om mee te scrubben.” Ze gooide haar restje bier om de grond en vulde het bekertje met water. “Kom mee, we gaan zand zoeken”, riep ze terwijl ze me mee de wei op trok. “Maar hier is alleen gras!”, probeerde ik nog. Al snel belandden we bij een impromptu beach bar, compleet met klein strandje. Ze vulde het bekertje met zand, kapte er het water uit mijn flesje bij en gaf me – in het gezelschap van duizenden mensen – de beste scrub van mijn leven. En ze had gelijk, een geïmproviseerde zandscrub was precies wat ik nodig had om de oranje strepen te verwijderen. Nadat ik haar uitvoerig bedankte, verdween ze in de mensenmassa, even snel als ze gekomen was. Een bruin kleurtje uit een flesje heb ik sindsdien voorgoed afgezworen.

Blooper 9: rood met witte stippen (1996)

Ergens tussen mijn kindertijd en adolescentenjaren bracht ik mijn woensdagmiddagen in de balletles door. Ik zou nooit het type jonge ballerina worden dat met een pijnlijk strakke dot op het hoofd zich de voeten stuk danst op de parketvloer van een eliteschool, ik hield er gewoon van om één keer per week een maillot, die rare matte zachtroze panty’s en demi-pointes aan de trekken en door die gigantische zaal te dansen. Onze lerares, Mevrouw Primot had het niet zo begrepen op hobby ballerina’s. Zij zou niet sterven eer ze van ieder van ons een prima ballerina gemaakt had. Een al te ambitieus plan dat nooit vorm zou krijgen, het klasje bestond immers maar uit gewone meisjes met een woensdagnamiddaghobby en zij werd nooit zonder sigaret in haar linkerhand gezien. Kettingroken in de balletles, tijdens de jaren 90 maakte niemand daar echt een punt van. De linkerhand was voorbehouden voor een sigaret, in de rechter hoorde haar lange houten stok. Officieel werd die gebruikt om de maat mee aan te geven, maar het gebeurde wel eens dat een verkeerd gepositioneerd voetje met een flinke tik gecorrigeerd werd. Mevrouw Primot hield van regels. Voor en na de aanvang van de les dienden we madame te groeten, een eerbiedig uitgevoerde curtsy in een wolk van Groene Michel. Mevrouw Primot maakte van deze momentjes gebruik om alle ballerina’s aan een grondige inspectie te onderwerpen. Stond je buik iets te bol, dan kreeg je een strak riempje om je taille gespannen, hingen je haren er maar slordig bij, kreeg je een kordate ruk aan je dot of zette ze de los gekomen speldjes zodanig hard vast, dat je het de dag nadien nog voelde. Gaf je haar de hand met gelakte nagels, vloog je stante pede terug naar de kleedkamer. Zelfs de Britse queen tolereert het zachtroze ‘Ballet Slippers’ van Essie op de nagelplaten van haar hofgenoten en onderdanen, maar Mevrouw Primot had het niet begrepen op nagellak, ook niet als die de naam van een balletschoentje droeg. Uit angst om in een uitbrander met een walm van sigarettenadem terecht te komen, gomde ik steeds tijdig de zilveren nagellak (vergeef me, het was 1996) van mijn nagels. Maar op dag ging het grondig mis. In aanloop naar het nakende recital werd het aantal repetities opgedreven van twee naar drie keer per week. Op zaterdag ging ik rechtstreeks van de tekenacademie naar de balletzaal … met knalrood gelakte nagels, vol met mét witte Tipp-Ex stippen. Een speelplaatsexperimentje van een paar dagen eerder. Een misdrijf groot genoeg om me uit de eerste rij weg te halen, mijn moment de gloire tijdens de jazzdance routine. Twaalfjarigen doen per definitie domme dingen, zoals met Tipp-Ex witte stippen op nagels tekenen, maar twaalfjarigen dragen – en gelukkig maar – ook beugels. Plots veranderde dat mondmarteltuig in een handig schuurinstrument. Bij iedere pirouette of arabesque of eender welke andere beweging die me aan het alziend oog van Primot onttrok, schraapte ik zo hard ik kon met mijn nagels over de metalen blokjes in mijn mond. Met succes, want de rode vlokjes nagellak dwarrelden naar beneden en de natuurlijke kleur van mijn eigen nagels werd steeds beter zichtbaar. “Les filles, lachen!”, schreeuwde Primot over de pianomuziek heen. Opgelucht door mijn schoon geraspte nagels wierp ik Primot een brede glimlach toe voor ik mijn been hoog de lucht in wierp. Ze kneep haar ogen samen, nam een hevige trek van haar sigaret en beende naar haar fauteuil in de hoek van de zaal. Voor de rest van de repetitie gunde ze geen blik. Stilte voor de storm zo bleek, want toen ik als afscheid mijn hand in de hare legde en subtiel door de knieën boog, trok ze me hard naar zich toe. “Je denkt toch niet dat ik het niet gezien had. Die lelijke rode nagels”, siste ze. “Om van die tanden nog maar te zwijgen. Als je hier volgende keer opnieuw zo binnenwandelt, kan je het recital vergeten.” De tranen prikten in mijn ogen, al zou dat ook haar koffie-tabak adem kunnen geweest zijn. Ik droop met gebogen hoofd af, mijn blik viel op mijn afgeschraapte schilderwerk. In de spiegel van kleedkamer probeerde ik mezelf bemoedigend toe te lachen. Pas toen zag ik het. De stukjes rode nagellak op, tussen en zelfs achter mijn metalen beugelblokjes. Ik zag eruit alsof ik net een klein knaagdier had stukgebeten, een dierenmoordenaar in een hagelwitte tutu. Tranen biggelden, moeders armen troosten en de woede van Primot waaide uiteindelijk over. Mijn nagels zagen zes maanden lang geen kleur en tijdens het recital droeg ik enkel mijn breedste met beugelblokjes gedecoreerde glimlach. In de spotlights fonkelden ze als nooit tevoren.